NL: alerten U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gealert
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik alert jij alert hij alert wij alerten jullie alerten zij alerten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gealert jij hebt gealert hij heeft gealert wij hebben gealert jullie hebben gealert zij hebben gealert
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik alertte jij alertte hij alertte wij alertten jullie alertten zij alertten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gealert jij had gealert hij had gealert wij hadden gealert jullie hadden gealert zij hadden gealert
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal alerten jij zult alerten hij zal alerten wij zullen alerten jullie zullen alerten zij zullen alerten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gealert hebben jij zult gealert hebben hij zal gealert hebben wij zullen gealert hebben jullie zullen gealert hebben zij zullen gealert hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou alerten jij zou alerten hij zou alerten wij zouden alerten jullie zouden alerten zij zouden alerten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gealert hebben jij zou gealert hebben hij zou gealert hebben wij zouden gealert hebben jullie zouden gealert hebben zij zouden gealert hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
alert
|