NL: alcoholiseren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gealcoholiseerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik alcoholiseer jij alcoholiseert hij alcoholiseert wij alcoholiseren jullie alcoholiseren zij alcoholiseren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gealcoholiseerd jij hebt gealcoholiseerd hij heeft gealcoholiseerd wij hebben gealcoholiseerd jullie hebben gealcoholiseerd zij hebben gealcoholiseerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik alcoholiseerde jij alcoholiseerde hij alcoholiseerde wij alcoholiseerden jullie alcoholiseerden zij alcoholiseerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gealcoholiseerd jij had gealcoholiseerd hij had gealcoholiseerd wij hadden gealcoholiseerd jullie hadden gealcoholiseerd zij hadden gealcoholiseerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal alcoholiseren jij zult alcoholiseren hij zal alcoholiseren wij zullen alcoholiseren jullie zullen alcoholiseren zij zullen alcoholiseren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gealcoholiseerd hebben jij zult gealcoholiseerd hebben hij zal gealcoholiseerd hebben wij zullen gealcoholiseerd hebben jullie zullen gealcoholiseerd hebben zij zullen gealcoholiseerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou alcoholiseren jij zou alcoholiseren hij zou alcoholiseren wij zouden alcoholiseren jullie zouden alcoholiseren zij zouden alcoholiseren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gealcoholiseerd hebben jij zou gealcoholiseerd hebben hij zou gealcoholiseerd hebben wij zouden gealcoholiseerd hebben jullie zouden gealcoholiseerd hebben zij zouden gealcoholiseerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
alcoholiseer
|