NL: alarmerenSynoniemen: beangstigen, bijeenroepen, wekken, opwekken
DE: alarmieren
EN: alarm
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gealarmeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik alarmeer jij alarmeert hij alarmeert wij alarmeren jullie alarmeren zij alarmeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gealarmeerd jij hebt gealarmeerd hij heeft gealarmeerd wij hebben gealarmeerd jullie hebben gealarmeerd zij hebben gealarmeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik alarmeerde jij alarmeerde hij alarmeerde wij alarmeerden jullie alarmeerden zij alarmeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gealarmeerd jij had gealarmeerd hij had gealarmeerd wij hadden gealarmeerd jullie hadden gealarmeerd zij hadden gealarmeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal alarmeren jij zult alarmeren hij zal alarmeren wij zullen alarmeren jullie zullen alarmeren zij zullen alarmeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gealarmeerd hebben jij zult gealarmeerd hebben hij zal gealarmeerd hebben wij zullen gealarmeerd hebben jullie zullen gealarmeerd hebben zij zullen gealarmeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou alarmeren jij zou alarmeren hij zou alarmeren wij zouden alarmeren jullie zouden alarmeren zij zouden alarmeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gealarmeerd hebben jij zou gealarmeerd hebben hij zou gealarmeerd hebben wij zouden gealarmeerd hebben jullie zouden gealarmeerd hebben zij zouden gealarmeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
alarmeer
|