NL: afzonderenSynoniemen: afscheiden, apart houden, isoleren, separeren, verwijderen, afsplitsen, splitsen, scheiden, wegwerken, wegnemen, weghalen, wegdoen, wegbrengen, vervreemden, verplaatsen, lichten, ecarteren, afnemen
DE: isolieren, absondern, abtrennen, separieren, trennen, aussondern
EN: separate, dissociate from, isolate, place apart
ES: aislar, poner aparte, separar, apartar, escindir, bifurcarse, incomunicar, alejar de
FR: séparer, isoler
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgezonderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zonder af jij zondert af hij zondert af wij zonderen af jullie zonderen af zij zonderen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgezonderd jij hebt afgezonderd hij heeft afgezonderd wij hebben afgezonderd jullie hebben afgezonderd zij hebben afgezonderd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zonderde af jij zonderde af hij zonderde af wij zonderden af jullie zonderden af zij zonderden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgezonderd jij had afgezonderd hij had afgezonderd wij hadden afgezonderd jullie hadden afgezonderd zij hadden afgezonderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afzonderen jij zult afzonderen hij zal afzonderen wij zullen afzonderen jullie zullen afzonderen zij zullen afzonderen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgezonderd hebben jij zult afgezonderd hebben hij zal afgezonderd hebben wij zullen afgezonderd hebben jullie zullen afgezonderd hebben zij zullen afgezonderd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afzonderen jij zou afzonderen hij zou afzonderen wij zouden afzonderen jullie zouden afzonderen zij zouden afzonderen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgezonderd hebben jij zou afgezonderd hebben hij zou afgezonderd hebben wij zouden afgezonderd hebben jullie zouden afgezonderd hebben zij zouden afgezonderd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zonder af
|