NL: afzoenenSynoniemen: beëindigen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgezoend
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zoen af jij zoent af hij zoent af wij zoenen af jullie zoenen af zij zoenen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgezoend jij hebt afgezoend hij heeft afgezoend wij hebben afgezoend jullie hebben afgezoend zij hebben afgezoend
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zoende af jij zoende af hij zoende af wij zoenden af jullie zoenden af zij zoenden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgezoend jij had afgezoend hij had afgezoend wij hadden afgezoend jullie hadden afgezoend zij hadden afgezoend
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afzoenen jij zult afzoenen hij zal afzoenen wij zullen afzoenen jullie zullen afzoenen zij zullen afzoenen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgezoend hebben jij zult afgezoend hebben hij zal afgezoend hebben wij zullen afgezoend hebben jullie zullen afgezoend hebben zij zullen afgezoend hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afzoenen jij zou afzoenen hij zou afzoenen wij zouden afzoenen jullie zouden afzoenen zij zouden afzoenen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgezoend hebben jij zou afgezoend hebben hij zou afgezoend hebben wij zouden afgezoend hebben jullie zouden afgezoend hebben zij zouden afgezoend hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zoen af
|