NL: afzienSynoniemen: afstand doen, lijden
DE: afzien (afstand doen): verzichten, absehen
EN: afzien (afstand doen): renunciate, relinquish, give up
FR: afzien (afstand doen): renoncer à, répudier, abandonner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgezien
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zie af jij ziet af hij ziet af wij zien af jullie zien af zij zien af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgezien jij hebt afgezien hij heeft afgezien wij hebben afgezien jullie hebben afgezien zij hebben afgezien
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zag af jij zag af hij zag af wij zagen af jullie zagen af zij zagen af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgezien jij had afgezien hij had afgezien wij hadden afgezien jullie hadden afgezien zij hadden afgezien
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afzien jij zult afzien hij zal afzien wij zullen afzien jullie zullen afzien zij zullen afzien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgezien hebben jij zult afgezien hebben hij zal afgezien hebben wij zullen afgezien hebben jullie zullen afgezien hebben zij zullen afgezien hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afzien jij zou afzien hij zou afzien wij zouden afzien jullie zouden afzien zij zouden afzien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgezien hebben jij zou afgezien hebben hij zou afgezien hebben wij zouden afgezien hebben jullie zouden afgezien hebben zij zouden afgezien hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zie af
|