NL: afzettenSynoniemen: afbakenen, afbiezen, afpalen, amputeren, bedotten, bedriegen, beduvelen, besodemieteren, omranden, ontslaan, stilzetten, uitschakelen, , verschuiven, verdagen, uittrekken, uitstellen, uitkrijgen, uitdoen, afleggen, afdoen, aanhouden, tillen, zwendelen, op
DE: betrügen, beschwindeln
EN: trick, fool, cheat
ES: sacar, timar
FR: tricher, tondre, tromper, rouler, duper, escroquer, berner, leurrer, couillonner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgezet
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zet af jij zet af hij zet af wij zetten af jullie zetten af zij zetten af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgezet jij hebt afgezet hij heeft afgezet wij hebben afgezet jullie hebben afgezet zij hebben afgezet
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zette af jij zette af hij zette af wij zetten af jullie zetten af zij zetten af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgezet jij had afgezet hij had afgezet wij hadden afgezet jullie hadden afgezet zij hadden afgezet
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afzetten jij zult afzetten hij zal afzetten wij zullen afzetten jullie zullen afzetten zij zullen afzetten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgezet hebben jij zult afgezet hebben hij zal afgezet hebben wij zullen afgezet hebben jullie zullen afgezet hebben zij zullen afgezet hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afzetten jij zou afzetten hij zou afzetten wij zouden afzetten jullie zouden afzetten zij zouden afzetten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgezet hebben jij zou afgezet hebben hij zou afgezet hebben wij zouden afgezet hebben jullie zouden afgezet hebben zij zouden afgezet hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zet af
|