NL: afwerpenSynoniemen: afdoen, afsmijten, opleveren, afval
DE: afwerpen (afsmijten): abwerfen
EN: afwerpen (afsmijten): casting off, throwing off
ES: afwerpen (afsmijten): tirar, lanzar, arrojar, echar abajo
FR: afwerpen (afsmijten): jeter, larger
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgeworpen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik werp af jij werpt af hij werpt af wij werpen af jullie werpen af zij werpen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgeworpen jij hebt afgeworpen hij heeft afgeworpen wij hebben afgeworpen jullie hebben afgeworpen zij hebben afgeworpen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik wierp af jij wierp af hij wierp af wij wierpen af jullie wierpen af zij wierpen af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgeworpen jij had afgeworpen hij had afgeworpen wij hadden afgeworpen jullie hadden afgeworpen zij hadden afgeworpen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afwerpen jij zult afwerpen hij zal afwerpen wij zullen afwerpen jullie zullen afwerpen zij zullen afwerpen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgeworpen hebben jij zult afgeworpen hebben hij zal afgeworpen hebben wij zullen afgeworpen hebben jullie zullen afgeworpen hebben zij zullen afgeworpen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afwerpen jij zou afwerpen hij zou afwerpen wij zouden afwerpen jullie zouden afwerpen zij zouden afwerpen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgeworpen hebben jij zou afgeworpen hebben hij zou afgeworpen hebben wij zouden afgeworpen hebben jullie zouden afgeworpen hebben zij zouden afgeworpen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
werp af
|