NL: afwerenSynoniemen: afslaan, afwenden, pareren, verdedigen, weren, verweren
DE: afweren (pareren): abhalten, abwehren
EN: afweren (pareren): parry, ward off, foil, field
FR: afweren (pareren): parer, empêcher, écarter, défendre, détourner, dévier
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgeweerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik weer af jij weert af hij weert af wij weren af jullie weren af zij weren af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgeweerd jij hebt afgeweerd hij heeft afgeweerd wij hebben afgeweerd jullie hebben afgeweerd zij hebben afgeweerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik weerde af jij weerde af hij weerde af wij weerden af jullie weerden af zij weerden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgeweerd jij had afgeweerd hij had afgeweerd wij hadden afgeweerd jullie hadden afgeweerd zij hadden afgeweerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afweren jij zult afweren hij zal afweren wij zullen afweren jullie zullen afweren zij zullen afweren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgeweerd hebben jij zult afgeweerd hebben hij zal afgeweerd hebben wij zullen afgeweerd hebben jullie zullen afgeweerd hebben zij zullen afgeweerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afweren jij zou afweren hij zou afweren wij zouden afweren jullie zouden afweren zij zouden afweren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgeweerd hebben jij zou afgeweerd hebben hij zou afgeweerd hebben wij zouden afgeweerd hebben jullie zouden afgeweerd hebben zij zouden afgeweerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
weer af
|