NL: afwaarderenSynoniemen: devalueren
DE: afwaarderen (devalueren): abwerten, devalorisieren
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgewaardeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik waardeer af jij waardeert af hij waardeert af wij waarderen af jullie waarderen af zij waarderen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgewaardeerd jij hebt afgewaardeerd hij heeft afgewaardeerd wij hebben afgewaardeerd jullie hebben afgewaardeerd zij hebben afgewaardeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik waardeerde af jij waardeerde af hij waardeerde af wij waardeerden af jullie waardeerden af zij waardeerden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgewaardeerd jij had afgewaardeerd hij had afgewaardeerd wij hadden afgewaardeerd jullie hadden afgewaardeerd zij hadden afgewaardeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afwaarderen jij zult afwaarderen hij zal afwaarderen wij zullen afwaarderen jullie zullen afwaarderen zij zullen afwaarderen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgewaardeerd hebben jij zult afgewaardeerd hebben hij zal afgewaardeerd hebben wij zullen afgewaardeerd hebben jullie zullen afgewaardeerd hebben zij zullen afgewaardeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afwaarderen jij zou afwaarderen hij zou afwaarderen wij zouden afwaarderen jullie zouden afwaarderen zij zouden afwaarderen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgewaardeerd hebben jij zou afgewaardeerd hebben hij zou afgewaardeerd hebben wij zouden afgewaardeerd hebben jullie zouden afgewaardeerd hebben zij zouden afgewaardeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
waardeer af
|