NL: afvloeienSynoniemen: wegvloeien, afdanken, wegstromen
EN: afvloeien (van zijn positie verdrijven): discharge, dismiss, fire, sack, lay off, throw out, cast out, be discharged
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgevloeid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vloei af jij vloeit af hij vloeit af wij vloeien af jullie vloeien af zij vloeien af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgevloeid jij hebt afgevloeid hij heeft afgevloeid wij hebben afgevloeid jullie hebben afgevloeid zij hebben afgevloeid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vloeide af jij vloeide af hij vloeide af wij vloeiden af jullie vloeiden af zij vloeiden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgevloeid jij had afgevloeid hij had afgevloeid wij hadden afgevloeid jullie hadden afgevloeid zij hadden afgevloeid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afvloeien jij zult afvloeien hij zal afvloeien wij zullen afvloeien jullie zullen afvloeien zij zullen afvloeien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgevloeid hebben jij zult afgevloeid hebben hij zal afgevloeid hebben wij zullen afgevloeid hebben jullie zullen afgevloeid hebben zij zullen afgevloeid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afvloeien jij zou afvloeien hij zou afvloeien wij zouden afvloeien jullie zouden afvloeien zij zouden afvloeien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgevloeid hebben jij zou afgevloeid hebben hij zou afgevloeid hebben wij zouden afgevloeid hebben jullie zouden afgevloeid hebben zij zouden afgevloeid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vloei af
|