NL: aftroggelenSynoniemen: afbietsen, bietsen, aftruggelen, afsmeken, afbedelen, pikken, ontfutselen, inpikken, grissen, gappen, afpakken
DE: aftroggelen (inpikken): abhandenmachen, einstecken
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgetroggeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik troggel af jij troggelt af hij troggelt af wij troggelen af jullie troggelen af zij troggelen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgetroggeld jij hebt afgetroggeld hij heeft afgetroggeld wij hebben afgetroggeld jullie hebben afgetroggeld zij hebben afgetroggeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik troggelde af jij troggelde af hij troggelde af wij troggelden af jullie troggelden af zij troggelden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgetroggeld jij had afgetroggeld hij had afgetroggeld wij hadden afgetroggeld jullie hadden afgetroggeld zij hadden afgetroggeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aftroggelen jij zult aftroggelen hij zal aftroggelen wij zullen aftroggelen jullie zullen aftroggelen zij zullen aftroggelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgetroggeld hebben jij zult afgetroggeld hebben hij zal afgetroggeld hebben wij zullen afgetroggeld hebben jullie zullen afgetroggeld hebben zij zullen afgetroggeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aftroggelen jij zou aftroggelen hij zou aftroggelen wij zouden aftroggelen jullie zouden aftroggelen zij zouden aftroggelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgetroggeld hebben jij zou afgetroggeld hebben hij zou afgetroggeld hebben wij zouden afgetroggeld hebben jullie zouden afgetroggeld hebben zij zouden afgetroggeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
troggel af
|