NL: aftellenSynoniemen: passen, aftelling
DE: aftellen (geld afpassen): abzählen, abpassen, passen, zählen, abgepaßt
EN: aftellen (geld afpassen): count off, pay with the exact money, count, count out
ES: aftellen (geld afpassen): contar, numerar, pagar en suelto, pagar la cantidad exacta, pagar con cambio
FR: aftellen (geld afpassen): compter de l'argent
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgeteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik tel af jij telt af hij telt af wij tellen af jullie tellen af zij tellen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgeteld jij hebt afgeteld hij heeft afgeteld wij hebben afgeteld jullie hebben afgeteld zij hebben afgeteld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik telde af jij telde af hij telde af wij telden af jullie telden af zij telden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgeteld jij had afgeteld hij had afgeteld wij hadden afgeteld jullie hadden afgeteld zij hadden afgeteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aftellen jij zult aftellen hij zal aftellen wij zullen aftellen jullie zullen aftellen zij zullen aftellen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgeteld hebben jij zult afgeteld hebben hij zal afgeteld hebben wij zullen afgeteld hebben jullie zullen afgeteld hebben zij zullen afgeteld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aftellen jij zou aftellen hij zou aftellen wij zouden aftellen jullie zouden aftellen zij zouden aftellen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgeteld hebben jij zou afgeteld hebben hij zou afgeteld hebben wij zouden afgeteld hebben jullie zouden afgeteld hebben zij zouden afgeteld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
tel af
|