NL: afstotenSynoniemen: afdanken, afkerig maken, afketsen, afwerpen, verwerpen, , ontmoedigen, mishagen, afwijzen
DE: das Abstoßen, das Abweisen
EN: the rejecting
ES: el repelar, la repulsión
FR: la répulsion, la aversion
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgestoten
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik stoot af jij stoot af hij stoot af wij stoten af jullie stoten af zij stoten af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgestoten jij hebt afgestoten hij heeft afgestoten wij hebben afgestoten jullie hebben afgestoten zij hebben afgestoten
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stiet; stootte af jij stiet; stootte af hij stiet; stootte af wij stieten; stootten af jullie stieten; stootten af zij stieten; stootten af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgestoten jij had afgestoten hij had afgestoten wij hadden afgestoten jullie hadden afgestoten zij hadden afgestoten
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afstoten jij zult afstoten hij zal afstoten wij zullen afstoten jullie zullen afstoten zij zullen afstoten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgestoten hebben jij zult afgestoten hebben hij zal afgestoten hebben wij zullen afgestoten hebben jullie zullen afgestoten hebben zij zullen afgestoten hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afstoten jij zou afstoten hij zou afstoten wij zouden afstoten jullie zouden afstoten zij zouden afstoten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgestoten hebben jij zou afgestoten hebben hij zou afgestoten hebben wij zouden afgestoten hebben jullie zouden afgestoten hebben zij zouden afgestoten hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
stoot af
|