NL: afstekenSynoniemen: afbikken, aftekenen, afvaren, houden, opvallen, wegvaren, uitsteken, uitspringen
DE: afsteken (afvaren): abfahren, wegfahren, losfahren
EN: afsteken (afvaren): sail away, leave, take off, depart
ES: afsteken (afvaren): salir navegando, salir velando
FR: afsteken (afvaren): partir, s'en aller, décamper, contraster, prendre la mer, faire bagage
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgestoken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik steek af jij steekt af hij steekt af wij steken af jullie steken af zij steken af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgestoken jij hebt afgestoken hij heeft afgestoken wij hebben afgestoken jullie hebben afgestoken zij hebben afgestoken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stak af jij stak af hij stak af wij staken af jullie staken af zij staken af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgestoken jij had afgestoken hij had afgestoken wij hadden afgestoken jullie hadden afgestoken zij hadden afgestoken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afsteken jij zult afsteken hij zal afsteken wij zullen afsteken jullie zullen afsteken zij zullen afsteken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgestoken hebben jij zult afgestoken hebben hij zal afgestoken hebben wij zullen afgestoken hebben jullie zullen afgestoken hebben zij zullen afgestoken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afsteken jij zou afsteken hij zou afsteken wij zouden afsteken jullie zouden afsteken zij zouden afsteken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgestoken hebben jij zou afgestoken hebben hij zou afgestoken hebben wij zouden afgestoken hebben jullie zouden afgestoken hebben zij zouden afgestoken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
steek af
|