NL: afstaanSynoniemen: afgeven, geven, laten, offeren, opofferen, overdoen, overgeven, aflevering, uitlevering, overdracht
DE: übergeben, überlassen, abtreten, abgeben, abstehen
EN: cede, yield
ES: entregar, ceder, devolver
FR: accorder, céder, concéder, renoncer, laisser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgestaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sta af jij staat af hij staat af wij staan af jullie staan af zij staan af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgestaan jij hebt afgestaan hij heeft afgestaan wij hebben afgestaan jullie hebben afgestaan zij hebben afgestaan
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik stond af jij stond af hij stond af wij stonden af jullie stonden af zij stonden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgestaan jij had afgestaan hij had afgestaan wij hadden afgestaan jullie hadden afgestaan zij hadden afgestaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afstaan jij zult afstaan hij zal afstaan wij zullen afstaan jullie zullen afstaan zij zullen afstaan
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgestaan hebben jij zult afgestaan hebben hij zal afgestaan hebben wij zullen afgestaan hebben jullie zullen afgestaan hebben zij zullen afgestaan hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afstaan jij zou afstaan hij zou afstaan wij zouden afstaan jullie zouden afstaan zij zouden afstaan
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgestaan hebben jij zou afgestaan hebben hij zou afgestaan hebben wij zouden afgestaan hebben jullie zouden afgestaan hebben zij zouden afgestaan hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sta af
|