NL: afsprekenSynoniemen: beslissen, overeenkomen, regelen, accorderen, afgesproken, treffen, samenkomen, bedisselen, arrangeren
DE: das Absprechen, das Akkordieren, das Abmachen
EN: the agreeing, the arranging
ES: el acuerdo, el convenio
FR: la convention, le accord, le fait de se mettre d'accord
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgesproken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik spreek af jij spreekt af hij spreekt af wij spreken af jullie spreken af zij spreken af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgesproken jij hebt afgesproken hij heeft afgesproken wij hebben afgesproken jullie hebben afgesproken zij hebben afgesproken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sprak af jij sprak af hij sprak af wij spraken af jullie spraken af zij spraken af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgesproken jij had afgesproken hij had afgesproken wij hadden afgesproken jullie hadden afgesproken zij hadden afgesproken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afspreken jij zult afspreken hij zal afspreken wij zullen afspreken jullie zullen afspreken zij zullen afspreken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgesproken hebben jij zult afgesproken hebben hij zal afgesproken hebben wij zullen afgesproken hebben jullie zullen afgesproken hebben zij zullen afgesproken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afspreken jij zou afspreken hij zou afspreken wij zouden afspreken jullie zouden afspreken zij zouden afspreken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgesproken hebben jij zou afgesproken hebben hij zou afgesproken hebben wij zouden afgesproken hebben jullie zouden afgesproken hebben zij zouden afgesproken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
spreek af
|