NL: afsplitsenSynoniemen: afzonderen, isoleren, afscheiden, afsplijten, afsplitsing, afsplijting, splitsen, separeren, scheiden
EN: afsplitsen (afsplijten): strip off, split off
FR: afsplitsen (afsplijten): séparer, fissionner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgesplitst
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik splits af jij splitst af hij splitst af wij splitsen af jullie splitsen af zij splitsen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgesplitst jij hebt afgesplitst hij heeft afgesplitst wij hebben afgesplitst jullie hebben afgesplitst zij hebben afgesplitst
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik splitste af jij splitste af hij splitste af wij splitsten af jullie splitsten af zij splitsten af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgesplitst jij had afgesplitst hij had afgesplitst wij hadden afgesplitst jullie hadden afgesplitst zij hadden afgesplitst
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afsplitsen jij zult afsplitsen hij zal afsplitsen wij zullen afsplitsen jullie zullen afsplitsen zij zullen afsplitsen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgesplitst hebben jij zult afgesplitst hebben hij zal afgesplitst hebben wij zullen afgesplitst hebben jullie zullen afgesplitst hebben zij zullen afgesplitst hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afsplitsen jij zou afsplitsen hij zou afsplitsen wij zouden afsplitsen jullie zouden afsplitsen zij zouden afsplitsen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgesplitst hebben jij zou afgesplitst hebben hij zou afgesplitst hebben wij zouden afgesplitst hebben jullie zouden afgesplitst hebben zij zouden afgesplitst hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
splits af
|