NL: afschuttenSynoniemen: beschutten, beschermen, afschermen, afdekken, afschotten
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgeschut
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik schut af jij schut af hij schut af wij schutten af jullie schutten af zij schutten af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgeschut jij hebt afgeschut hij heeft afgeschut wij hebben afgeschut jullie hebben afgeschut zij hebben afgeschut
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik schutte af jij schutte af hij schutte af wij schutten af jullie schutten af zij schutten af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgeschut jij had afgeschut hij had afgeschut wij hadden afgeschut jullie hadden afgeschut zij hadden afgeschut
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afschutten jij zult afschutten hij zal afschutten wij zullen afschutten jullie zullen afschutten zij zullen afschutten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgeschut hebben jij zult afgeschut hebben hij zal afgeschut hebben wij zullen afgeschut hebben jullie zullen afgeschut hebben zij zullen afgeschut hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afschutten jij zou afschutten hij zou afschutten wij zouden afschutten jullie zouden afschutten zij zouden afschutten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgeschut hebben jij zou afgeschut hebben hij zou afgeschut hebben wij zouden afgeschut hebben jullie zouden afgeschut hebben zij zouden afgeschut hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
schut af
|