NL: afromenSynoniemen: afspanen, afschuimen
DE: abrahmen, abrunden, abschäumen
EN: skim, cream
FR: écumer, écrémer, écumer avec une spatule
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgeroomd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik room af jij roomt af hij roomt af wij romen af jullie romen af zij romen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgeroomd jij hebt afgeroomd hij heeft afgeroomd wij hebben afgeroomd jullie hebben afgeroomd zij hebben afgeroomd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik roomde af jij roomde af hij roomde af wij roomden af jullie roomden af zij roomden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgeroomd jij had afgeroomd hij had afgeroomd wij hadden afgeroomd jullie hadden afgeroomd zij hadden afgeroomd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afromen jij zult afromen hij zal afromen wij zullen afromen jullie zullen afromen zij zullen afromen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgeroomd hebben jij zult afgeroomd hebben hij zal afgeroomd hebben wij zullen afgeroomd hebben jullie zullen afgeroomd hebben zij zullen afgeroomd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afromen jij zou afromen hij zou afromen wij zouden afromen jullie zouden afromen zij zouden afromen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgeroomd hebben jij zou afgeroomd hebben hij zou afgeroomd hebben wij zouden afgeroomd hebben jullie zouden afgeroomd hebben zij zouden afgeroomd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
room af
|