NL: africhtenSynoniemen: dresseren, africhting, trainen
DE: abrichten, dressieren
EN: train, break in
ES: entrenar, domar, adiestrar, domesticar, amaestrar
FR: entraîner, contraindre, dompter, apprivoiser, domestiquer, dresser un animal
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgericht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik richt af jij richt af hij richt af wij richten af jullie richten af zij richten af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgericht jij hebt afgericht hij heeft afgericht wij hebben afgericht jullie hebben afgericht zij hebben afgericht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik richtte af jij richtte af hij richtte af wij richtten af jullie richtten af zij richtten af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgericht jij had afgericht hij had afgericht wij hadden afgericht jullie hadden afgericht zij hadden afgericht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal africhten jij zult africhten hij zal africhten wij zullen africhten jullie zullen africhten zij zullen africhten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgericht hebben jij zult afgericht hebben hij zal afgericht hebben wij zullen afgericht hebben jullie zullen afgericht hebben zij zullen afgericht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou africhten jij zou africhten hij zou africhten wij zouden africhten jullie zouden africhten zij zouden africhten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgericht hebben jij zou afgericht hebben hij zou afgericht hebben wij zouden afgericht hebben jullie zouden afgericht hebben zij zouden afgericht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
richt af
|