NL: afremmenSynoniemen: afzwakken, remmen, stoppen
DE: abbremsen
EN: slow down
ES: refrenar
FR: freiner, ralentir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgeremd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik rem af jij remt af hij remt af wij remmen af jullie remmen af zij remmen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgeremd jij hebt afgeremd hij heeft afgeremd wij hebben afgeremd jullie hebben afgeremd zij hebben afgeremd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik remde af jij remde af hij remde af wij remden af jullie remden af zij remden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgeremd jij had afgeremd hij had afgeremd wij hadden afgeremd jullie hadden afgeremd zij hadden afgeremd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afremmen jij zult afremmen hij zal afremmen wij zullen afremmen jullie zullen afremmen zij zullen afremmen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgeremd hebben jij zult afgeremd hebben hij zal afgeremd hebben wij zullen afgeremd hebben jullie zullen afgeremd hebben zij zullen afgeremd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afremmen jij zou afremmen hij zou afremmen wij zouden afremmen jullie zouden afremmen zij zouden afremmen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgeremd hebben jij zou afgeremd hebben hij zou afgeremd hebben wij zouden afgeremd hebben jullie zouden afgeremd hebben zij zouden afgeremd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
rem af
|