NL: afrekenenSynoniemen: afbetalen, afdoen, dokken, afrekening, vereffenen, vereffening, verrekening, betalen, verrekenen
DE: die Verrechnung, das Abrechnen, die Abrechnung
EN: the clearance, the settlement
ES: la disposición, el arreglo, el saldo, la liquidación de cuentas
FR: le acquittement
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgerekend
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik reken af jij rekent af hij rekent af wij rekenen af jullie rekenen af zij rekenen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgerekend jij hebt afgerekend hij heeft afgerekend wij hebben afgerekend jullie hebben afgerekend zij hebben afgerekend
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik rekende af jij rekende af hij rekende af wij rekenden af jullie rekenden af zij rekenden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgerekend jij had afgerekend hij had afgerekend wij hadden afgerekend jullie hadden afgerekend zij hadden afgerekend
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afrekenen jij zult afrekenen hij zal afrekenen wij zullen afrekenen jullie zullen afrekenen zij zullen afrekenen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgerekend hebben jij zult afgerekend hebben hij zal afgerekend hebben wij zullen afgerekend hebben jullie zullen afgerekend hebben zij zullen afgerekend hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afrekenen jij zou afrekenen hij zou afrekenen wij zouden afrekenen jullie zouden afrekenen zij zouden afrekenen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgerekend hebben jij zou afgerekend hebben hij zou afgerekend hebben wij zouden afgerekend hebben jullie zouden afgerekend hebben zij zouden afgerekend hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
reken af
|