Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

afreizen vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





NL: afreizen
Synoniemen: doortrekken, heengaan, verdwijnen, verlaten, vertrekken, weggaan, wegtrekken, rondlopen, aflopen, wegreizen, verwijderen, smeren, opstappen

DE: abfahren, abreisen, fortfahren, wegfahren, wegreisen, fortreisen
EN: leave, grease, depart, take off, sail, rub in, leave for, set out, smear, travel, start
ES: salir, irse, partir, abandonar, marcharse, agotar, largarse, zarpar, correrse, alejarse de, irse de viaje
FR: prendre la mer, quitter, partir, embarquer, s'éloigner, s'en aller, s'absenter, prendre le large, quitter le port, faire bagage

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
afgereisd
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik reis af
jij reist af
hij reist af
wij reizen af
jullie reizen af
zij reizen af
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb afgereisd
jij hebt afgereisd
hij heeft afgereisd
wij hebben afgereisd
jullie hebben afgereisd
zij hebben afgereisd
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik reisde af
jij reisde af
hij reisde af
wij reisden af
jullie reisden af
zij reisden af
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had afgereisd
jij had afgereisd
hij had afgereisd
wij hadden afgereisd
jullie hadden afgereisd
zij hadden afgereisd
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal afreizen
jij zult afreizen
hij zal afreizen
wij zullen afreizen
jullie zullen afreizen
zij zullen afreizen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal afgereisd hebben
jij zult afgereisd hebben
hij zal afgereisd hebben
wij zullen afgereisd hebben
jullie zullen afgereisd hebben
zij zullen afgereisd hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou afreizen
jij zou afreizen
hij zou afreizen
wij zouden afreizen
jullie zouden afreizen
zij zouden afreizen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou afgereisd hebben
jij zou afgereisd hebben
hij zou afgereisd hebben
wij zouden afgereisd hebben
jullie zouden afgereisd hebben
zij zouden afgereisd hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
reis af

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/afreizen

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English