NL: afreizenSynoniemen: doortrekken, heengaan, verdwijnen, verlaten, vertrekken, weggaan, wegtrekken, rondlopen, aflopen, wegreizen, verwijderen, smeren, opstappen
DE: abfahren, abreisen, fortfahren, wegfahren, wegreisen, fortreisen
EN: leave, grease, depart, take off, sail, rub in, leave for, set out, smear, travel, start
ES: salir, irse, partir, abandonar, marcharse, agotar, largarse, zarpar, correrse, alejarse de, irse de viaje
FR: prendre la mer, quitter, partir, embarquer, s'éloigner, s'en aller, s'absenter, prendre le large, quitter le port, faire bagage
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgereisd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik reis af jij reist af hij reist af wij reizen af jullie reizen af zij reizen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgereisd jij hebt afgereisd hij heeft afgereisd wij hebben afgereisd jullie hebben afgereisd zij hebben afgereisd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik reisde af jij reisde af hij reisde af wij reisden af jullie reisden af zij reisden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgereisd jij had afgereisd hij had afgereisd wij hadden afgereisd jullie hadden afgereisd zij hadden afgereisd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afreizen jij zult afreizen hij zal afreizen wij zullen afreizen jullie zullen afreizen zij zullen afreizen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgereisd hebben jij zult afgereisd hebben hij zal afgereisd hebben wij zullen afgereisd hebben jullie zullen afgereisd hebben zij zullen afgereisd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afreizen jij zou afreizen hij zou afreizen wij zouden afreizen jullie zouden afreizen zij zouden afreizen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgereisd hebben jij zou afgereisd hebben hij zou afgereisd hebben wij zouden afgereisd hebben jullie zouden afgereisd hebben zij zouden afgereisd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
reis af
|