NL: afpijnigenSynoniemen: martelen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgepijnigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik pijnig af jij pijnigt af hij pijnigt af wij pijnigen af jullie pijnigen af zij pijnigen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgepijnigd jij hebt afgepijnigd hij heeft afgepijnigd wij hebben afgepijnigd jullie hebben afgepijnigd zij hebben afgepijnigd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik pijnigde af jij pijnigde af hij pijnigde af wij pijnigden af jullie pijnigden af zij pijnigden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgepijnigd jij had afgepijnigd hij had afgepijnigd wij hadden afgepijnigd jullie hadden afgepijnigd zij hadden afgepijnigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afpijnigen jij zult afpijnigen hij zal afpijnigen wij zullen afpijnigen jullie zullen afpijnigen zij zullen afpijnigen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgepijnigd hebben jij zult afgepijnigd hebben hij zal afgepijnigd hebben wij zullen afgepijnigd hebben jullie zullen afgepijnigd hebben zij zullen afgepijnigd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afpijnigen jij zou afpijnigen hij zou afpijnigen wij zouden afpijnigen jullie zouden afpijnigen zij zouden afpijnigen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgepijnigd hebben jij zou afgepijnigd hebben hij zou afgepijnigd hebben wij zouden afgepijnigd hebben jullie zouden afgepijnigd hebben zij zouden afgepijnigd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
pijnig af
|