NL: afnemenSynoniemen: achteruitgaan, afdoen, afhalen, afhandig maken, afruimen, afstoffen, aftappen, kopen, ophalen, stelen, verminderen, verwijderen, overnemen, inkopen, aanschaffen, aankopen, afwissen, stoffen, minworden, declineren, vervallen, teruggaan, tanen, minderen, da
DE: afnemen (achteruitgaan): vermindern, sinken, verringern, reduzieren, schrumpfen, setzen, fallen, schwächen, kürzen, sparen
EN: afnemen (achteruitgaan): decline, waining, regress
ES: afnemen (achteruitgaan): disminuir, regresar, rebajar, remover, bajar, llevarse, vencer, ahorrar, robar, desaparecer, reducir, descender, recortar, menguar, decaer
FR: afnemen (achteruitgaan): réduire, décliner, se restreindre, baisser, diminuer, régresser, décroître, amoindrir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgenomen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik neem af jij neemt af hij neemt af wij nemen af jullie nemen af zij nemen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgenomen jij hebt afgenomen hij heeft afgenomen wij hebben afgenomen jullie hebben afgenomen zij hebben afgenomen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik nam af jij nam af hij nam af wij namen af jullie namen af zij namen af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgenomen jij had afgenomen hij had afgenomen wij hadden afgenomen jullie hadden afgenomen zij hadden afgenomen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afnemen jij zult afnemen hij zal afnemen wij zullen afnemen jullie zullen afnemen zij zullen afnemen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgenomen hebben jij zult afgenomen hebben hij zal afgenomen hebben wij zullen afgenomen hebben jullie zullen afgenomen hebben zij zullen afgenomen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afnemen jij zou afnemen hij zou afnemen wij zouden afnemen jullie zouden afnemen zij zouden afnemen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgenomen hebben jij zou afgenomen hebben hij zou afgenomen hebben wij zouden afgenomen hebben jullie zouden afgenomen hebben zij zouden afgenomen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
neem af
|