NL: afleidenSynoniemen: afbrengen, concluderen, deduceren, uitleggen, construeren
DE: afleiden (deduceren): ableiten, konkludieren, schließen, entnehmen, folgern
EN: afleiden (deduceren): deduce, deduct, conclude
ES: afleiden (deduceren): deducir, sacar en consecuencia, concluir, inferir, sacar en conclusión
FR: afleiden (deduceren): déduire, conclure, dériver
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgeleid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik leid af jij leidt af hij leidt af wij leiden af jullie leiden af zij leiden af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgeleid jij hebt afgeleid hij heeft afgeleid wij hebben afgeleid jullie hebben afgeleid zij hebben afgeleid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik leidde af jij leidde af hij leidde af wij leidden af jullie leidden af zij leidden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgeleid jij had afgeleid hij had afgeleid wij hadden afgeleid jullie hadden afgeleid zij hadden afgeleid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afleiden jij zult afleiden hij zal afleiden wij zullen afleiden jullie zullen afleiden zij zullen afleiden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgeleid hebben jij zult afgeleid hebben hij zal afgeleid hebben wij zullen afgeleid hebben jullie zullen afgeleid hebben zij zullen afgeleid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afleiden jij zou afleiden hij zou afleiden wij zouden afleiden jullie zouden afleiden zij zouden afleiden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgeleid hebben jij zou afgeleid hebben hij zou afgeleid hebben wij zouden afgeleid hebben jullie zouden afgeleid hebben zij zouden afgeleid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
leid af
|