NL: afkrijgenSynoniemen: voltooien, volmaken, volbrengen, klaarmaken, klaarkrijgen, completeren, beëindigen, afwerken, afronden, afmaken
DE: das Abkriegen, das Beenden
FR: le complètement, le achèvement
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgekregen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik krijg af jij krijgt af hij krijgt af wij krijgen af jullie krijgen af zij krijgen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgekregen jij hebt afgekregen hij heeft afgekregen wij hebben afgekregen jullie hebben afgekregen zij hebben afgekregen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kreeg af jij kreeg af hij kreeg af wij kregen af jullie kregen af zij kregen af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgekregen jij had afgekregen hij had afgekregen wij hadden afgekregen jullie hadden afgekregen zij hadden afgekregen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afkrijgen jij zult afkrijgen hij zal afkrijgen wij zullen afkrijgen jullie zullen afkrijgen zij zullen afkrijgen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgekregen hebben jij zult afgekregen hebben hij zal afgekregen hebben wij zullen afgekregen hebben jullie zullen afgekregen hebben zij zullen afgekregen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afkrijgen jij zou afkrijgen hij zou afkrijgen wij zouden afkrijgen jullie zouden afkrijgen zij zouden afkrijgen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgekregen hebben jij zou afgekregen hebben hij zou afgekregen hebben wij zouden afgekregen hebben jullie zouden afgekregen hebben zij zouden afgekregen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
krijg af
|