NL: afkondigenSynoniemen: afroepen, decreteren, proclameren, verordenen, oplezen, bekendmaken, aflezen, uitvaardigen, verordineren, ordonneren, verhangen, ophangen, gelasten, beschikken, behangen, bedekken
DE: anordnen, bestimmen, befehlen, vorschreiben, verordnen, diktieren, bekanntmachen
EN: proclaim, call, give notice of
ES: ordenar, promulgar, proclamar, decretar
FR: décréter, annoncer, ordonner, proclamer, promulguer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgekondigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik kondig af jij kondigt af hij kondigt af wij kondigen af jullie kondigen af zij kondigen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgekondigd jij hebt afgekondigd hij heeft afgekondigd wij hebben afgekondigd jullie hebben afgekondigd zij hebben afgekondigd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik kondigde af jij kondigde af hij kondigde af wij kondigden af jullie kondigden af zij kondigden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgekondigd jij had afgekondigd hij had afgekondigd wij hadden afgekondigd jullie hadden afgekondigd zij hadden afgekondigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afkondigen jij zult afkondigen hij zal afkondigen wij zullen afkondigen jullie zullen afkondigen zij zullen afkondigen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgekondigd hebben jij zult afgekondigd hebben hij zal afgekondigd hebben wij zullen afgekondigd hebben jullie zullen afgekondigd hebben zij zullen afgekondigd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afkondigen jij zou afkondigen hij zou afkondigen wij zouden afkondigen jullie zouden afkondigen zij zouden afkondigen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgekondigd hebben jij zou afgekondigd hebben hij zou afgekondigd hebben wij zouden afgekondigd hebben jullie zouden afgekondigd hebben zij zouden afgekondigd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
kondig af
|