NL: afhangenSynoniemen: hangen, neervallen
DE: hängen, abhängen, herunterhängen
EN: depend on, hang, drape
ES: depender de
FR: être accroché, incliner, tomber, retomber
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgehangen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik hang af jij hangt af hij hangt af wij hangen af jullie hangen af zij hangen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgehangen jij hebt afgehangen hij heeft afgehangen wij hebben afgehangen jullie hebben afgehangen zij hebben afgehangen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik hing af jij hing af hij hing af wij hingen af jullie hingen af zij hingen af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgehangen jij had afgehangen hij had afgehangen wij hadden afgehangen jullie hadden afgehangen zij hadden afgehangen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afhangen jij zult afhangen hij zal afhangen wij zullen afhangen jullie zullen afhangen zij zullen afhangen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgehangen hebben jij zult afgehangen hebben hij zal afgehangen hebben wij zullen afgehangen hebben jullie zullen afgehangen hebben zij zullen afgehangen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afhangen jij zou afhangen hij zou afhangen wij zouden afhangen jullie zouden afhangen zij zouden afhangen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgehangen hebben jij zou afgehangen hebben hij zou afgehangen hebben wij zouden afgehangen hebben jullie zouden afgehangen hebben zij zouden afgehangen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
hang af
|