NL: afhalenSynoniemen: afzetten, halen, ophalen, villen, vergaderen, meenemen, meebrengen, medenemen, medebrengen, bijeenbrengen, buslichting, uitbenen, stropen, afstropen, wegnemen, weghalen, afnemen
DE: afhalen (ophalen): entnehmen, aufholen, abnehmen, wegholen, wegnehmen, fortnehmen, entfernen, abräumen
EN: afhalen (ophalen): take along, take away, collect, pick up, take, fetch, come round for
ES: afhalen (ophalen): recoger, traer, ir a buscar, retirar, separar
FR: afhalen (ophalen): emporter, prendre, recueillir, enlever, ramasser, collecter, aller chercher, lever, améliorer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgehaald
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik haal af jij haalt af hij haalt af wij halen af jullie halen af zij halen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgehaald jij hebt afgehaald hij heeft afgehaald wij hebben afgehaald jullie hebben afgehaald zij hebben afgehaald
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik haalde af jij haalde af hij haalde af wij haalden af jullie haalden af zij haalden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgehaald jij had afgehaald hij had afgehaald wij hadden afgehaald jullie hadden afgehaald zij hadden afgehaald
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afhalen jij zult afhalen hij zal afhalen wij zullen afhalen jullie zullen afhalen zij zullen afhalen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgehaald hebben jij zult afgehaald hebben hij zal afgehaald hebben wij zullen afgehaald hebben jullie zullen afgehaald hebben zij zullen afgehaald hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afhalen jij zou afhalen hij zou afhalen wij zouden afhalen jullie zouden afhalen zij zouden afhalen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgehaald hebben jij zou afgehaald hebben hij zou afgehaald hebben wij zouden afgehaald hebben jullie zouden afgehaald hebben zij zouden afgehaald hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
haal af
|