NL: afgaanSynoniemen: afdalen, afstappen, mislukken, verlaten, zich blameren, opzoeken, bezoeken, weggaan, vertrekken, stranden, mislopen, misgaan, floppen, falen
DE: afgaan (mislukken): mißlingen, abgehen, fehlschlagen, schiefgehen, scheitern, mißraten, irren, auffliegen, danebengehen
EN: afgaan (mislukken): fail, go wrong, meet with disaster, flop, fall flat, lose one's face
ES: afgaan (mislukken): engañarse, faltar, equivocarse, fracasar, encallar, fallar, estar en un error, perderse, errar, meter la pata, embarrancar, salir mal, errarse, ir mal, irse al carajo
FR: afgaan (mislukken): faillir, échouer, ne pas réussir, être un flop, manquer, périr, se méprendre, rater son coup, commettre une faute, rater, chuter, se tromper, commettre une erreur, rater son effet, s'abîmer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgegaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ga af jij gaat af hij gaat af wij gaan af jullie gaan af zij gaan af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik ben afgegaan jij bent afgegaan hij is afgegaan wij zijn afgegaan jullie zijn afgegaan zij zijn afgegaan
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ging af jij ging af hij ging af wij gingen af jullie gingen af zij gingen af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik was afgegaan jij was afgegaan hij was afgegaan wij waren afgegaan jullie waren afgegaan zij waren afgegaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afgaan jij zult afgaan hij zal afgaan wij zullen afgaan jullie zullen afgaan zij zullen afgaan
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgegaan zijn jij zult afgegaan zijn hij zal afgegaan zijn wij zullen afgegaan zijn jullie zullen afgegaan zijn zij zullen afgegaan zijn
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afgaan jij zou afgaan hij zou afgaan wij zouden afgaan jullie zouden afgaan zij zouden afgaan
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgegaan zijn jij zou afgegaan zijn hij zou afgegaan zijn wij zouden afgegaan zijn jullie zouden afgegaan zijn zij zouden afgegaan zijn
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ga af
|