FR: affaiter| Participe Passé |
|
affaité
|
| Indicatif Présent |
| ott, als in `ik ga` |
j`affaite tu affaites il; elle affaite nous affaitons vous affaitez ils; elles affaitent
|
| Indicatif Passé Composé |
| Passé composé = voltooid tegenwoordige tijd. Als in `ik ben gegaan`. Le passé composé wordt gebruikt voor alle op zichzelf staande feiten, nieuwe, éénmalige gebeurtenissen, alle afgesloten handelingen. |
j`ai affaité tu as affaité il; elle a affaité nous avons affaité vous avez affaité ils; elles ont affaité
|
| Indicatif Imparfait |
| ovt, als in `ik ging`. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was. |
j`affaitais tu affaitais il; elle affaitait nous affaitions vous affaitiez ils; elles affaitaient
|
| Indicatif Plus-Que-Parfait |
| Plus-que-parfait= voltooid verleden tijd. Als in `ik was gegaan` |
j`avais affaité tu avais affaité il; elle avait affaité nous avions affaité vous aviez affaité ils; elles avaient affaité
|
| Indicatif Passé Simple |
| vtt, als in `ik ging`. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
j`affaitai tu affaitas il; elle affaita nous affaitâmes vous affaitâtes ils; elles affaitèrent
|
| Indicatif Passé Antérieur |
| vvtt, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`eus affaité tu eus affaité il; elle eut affaité nous eûmes affaité vous eûtes affaité ils; elles eurent affaité
|
| Indicatif Futur Simple |
| ottt, als in `ik zal gaan` |
j`affaiterai tu affaiteras il; elle affaitera nous affaiterons vous affaiterez ils; elles affaiteront
|
| Indicatif Futur Antérieur |
| vttt, als in `Ik zal gegaan zijn` |
j`aurai affaité tu auras affaité il; elle aura affaité nous aurons affaité vous aurez affaité ils; elles auront affaité
|
| Subjonctif Présent |
| Aanvoegende wijs, heden. Men gebruikt het subjonctif in een onderschikkende bijzin die begint met `que`, na werkwoorden die een gevoel weergeven: être content = blij zijn, être triste= bedroefd zijn |
j`affaite tu affaites il; elle affaite nous affaitions vous affaitiez ils; elles affaitent
|
| Subjonctif Passé |
| Aanvoegende wijs, verleden. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`aie affaité tu aies affaité il; elle ait affaité nous ayons affaité vous ayez affaité ils; elles aient affaité
|
| Subjonctif Imparfait |
| Aanvoegende wijs. Vooral gebruikt in de schrijftaal. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was |
j`affaitasse tu affaitasses il; elle affaitât nous affaitassions vous affaitassiez ils; elles affaitassent
|
| Subjonctif Plus-Que-Parfait |
| Aanvoegende wijs, voltooid deelwoord. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`eusse affaité tu eusses affaité il; elle eût affaité nous eussions affaité vous eussiez affaité ils; elles eussent affaité
|
| Conditionnel Présent |
| ovtt. Met de conditionnel présent kan je een voorwaarde uitdrukken, als in `ik zou gaan` |
j`affaiterais tu affaiterais il; elle affaiterait nous affaiterions vous affaiteriez ils; elles affaiteraient
|
| Conditionnel Passé |
| vvtt. De conditionnel passé gebruik je om een voorwaarde in het verleden te stellen, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`aurais affaité tu aurais affaité il; elle aurait affaité nous aurions affaité vous auriez affaité ils; elles auraient affaité
|
| Impératif Présent |
| gebiedende wijs als in `Ga!` |
(tu) affaite, (nous) affaitons (vous) affaitez
|