NL: afdoenSynoniemen: afbinden, afhandelen, betalen, verschuiven, verdagen, uittrekken, uitstellen, uitkrijgen, uitdoen, afzetten, afleggen, aanhouden, wegdoen, slachten, afmaken, beslechten, regelen, klaren
DE: afdoen (in orde maken): klären, in Ordnung bringen
EN: afdoen (in orde maken): fix, finish, have finished, have ended
ES: afdoen (in orde maken): arreglar, terminar, solucionar, finalizar, tener listo, tener acabado
FR: afdoen (in orde maken): régler, achever, terminer, finir
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgedaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik doe af jij doet af hij doet af wij doen af jullie doen af zij doen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgedaan jij hebt afgedaan hij heeft afgedaan wij hebben afgedaan jullie hebben afgedaan zij hebben afgedaan
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik deed af jij deed af hij deed af wij deden af jullie deden af zij deden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgedaan jij had afgedaan hij had afgedaan wij hadden afgedaan jullie hadden afgedaan zij hadden afgedaan
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afdoen jij zult afdoen hij zal afdoen wij zullen afdoen jullie zullen afdoen zij zullen afdoen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgedaan hebben jij zult afgedaan hebben hij zal afgedaan hebben wij zullen afgedaan hebben jullie zullen afgedaan hebben zij zullen afgedaan hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afdoen jij zou afdoen hij zou afdoen wij zouden afdoen jullie zouden afdoen zij zouden afdoen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgedaan hebben jij zou afgedaan hebben hij zou afgedaan hebben wij zouden afgedaan hebben jullie zouden afgedaan hebben zij zouden afgedaan hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
doe af
|