NL: afdalenSynoniemen: afgaan, afstappen, afstijgen, dalen, neerdalen, zakken, omlaagkomen, neerkomen, landen
DE: das Absteigen, der Abstieg
EN: the descending
ES: el bajar, el descender, la descensión
FR: la descente
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgedaald
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik daal af jij daalt af hij daalt af wij dalen af jullie dalen af zij dalen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgedaald jij hebt afgedaald hij heeft afgedaald wij hebben afgedaald jullie hebben afgedaald zij hebben afgedaald
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik daalde af jij daalde af hij daalde af wij daalden af jullie daalden af zij daalden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgedaald jij had afgedaald hij had afgedaald wij hadden afgedaald jullie hadden afgedaald zij hadden afgedaald
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afdalen jij zult afdalen hij zal afdalen wij zullen afdalen jullie zullen afdalen zij zullen afdalen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgedaald hebben jij zult afgedaald hebben hij zal afgedaald hebben wij zullen afgedaald hebben jullie zullen afgedaald hebben zij zullen afgedaald hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afdalen jij zou afdalen hij zou afdalen wij zouden afdalen jullie zouden afdalen zij zouden afdalen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgedaald hebben jij zou afgedaald hebben hij zou afgedaald hebben wij zouden afgedaald hebben jullie zouden afgedaald hebben zij zouden afgedaald hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
daal af
|