NL: afbrandenSynoniemen: schoonbranden, verbranden, wegbranden, uitbranden, platbranden, leegbranden
DE: abbrennen, ausbrennen, niederbrennen
EN: burn out, burn down, fire, burn to a cinder, flare up, burn loose, burn, burn up, take fire
FR: réduire en cendres, incendier, être détruit par un incendie, brûler complètement, dévaster par le feu, se consumer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgebrand
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik brand af jij brandt af hij brandt af wij branden af jullie branden af zij branden af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgebrand jij hebt afgebrand hij heeft afgebrand wij hebben afgebrand jullie hebben afgebrand zij hebben afgebrand
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik brandde af jij brandde af hij brandde af wij brandden af jullie brandden af zij brandden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgebrand jij had afgebrand hij had afgebrand wij hadden afgebrand jullie hadden afgebrand zij hadden afgebrand
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afbranden jij zult afbranden hij zal afbranden wij zullen afbranden jullie zullen afbranden zij zullen afbranden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgebrand hebben jij zult afgebrand hebben hij zal afgebrand hebben wij zullen afgebrand hebben jullie zullen afgebrand hebben zij zullen afgebrand hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afbranden jij zou afbranden hij zou afbranden wij zouden afbranden jullie zouden afbranden zij zouden afbranden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgebrand hebben jij zou afgebrand hebben hij zou afgebrand hebben wij zouden afgebrand hebben jullie zouden afgebrand hebben zij zouden afgebrand hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
brand af
|