NL: afbladderenEN: peel, flake
FR: effeuiller, écailler, se détacher, s'écailler, s'exfolier, épamprer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgebladderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bladder af jij bladdert af hij bladdert af wij bladderen af jullie bladderen af zij bladderen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgebladderd jij hebt afgebladderd hij heeft afgebladderd wij hebben afgebladderd jullie hebben afgebladderd zij hebben afgebladderd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bladderde af jij bladderde af hij bladderde af wij bladderden af jullie bladderden af zij bladderden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgebladderd jij had afgebladderd hij had afgebladderd wij hadden afgebladderd jullie hadden afgebladderd zij hadden afgebladderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afbladderen jij zult afbladderen hij zal afbladderen wij zullen afbladderen jullie zullen afbladderen zij zullen afbladderen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgebladderd hebben jij zult afgebladderd hebben hij zal afgebladderd hebben wij zullen afgebladderd hebben jullie zullen afgebladderd hebben zij zullen afgebladderd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afbladderen jij zou afbladderen hij zou afbladderen wij zouden afbladderen jullie zouden afbladderen zij zouden afbladderen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgebladderd hebben jij zou afgebladderd hebben hij zou afgebladderd hebben wij zouden afgebladderd hebben jullie zouden afgebladderd hebben zij zouden afgebladderd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bladder af
|