NL: afbellenSynoniemen: afzeggen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
afgebeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bel af jij belt af hij belt af wij bellen af jullie bellen af zij bellen af
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb afgebeld jij hebt afgebeld hij heeft afgebeld wij hebben afgebeld jullie hebben afgebeld zij hebben afgebeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik belde af jij belde af hij belde af wij belden af jullie belden af zij belden af
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had afgebeld jij had afgebeld hij had afgebeld wij hadden afgebeld jullie hadden afgebeld zij hadden afgebeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal afbellen jij zult afbellen hij zal afbellen wij zullen afbellen jullie zullen afbellen zij zullen afbellen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal afgebeld hebben jij zult afgebeld hebben hij zal afgebeld hebben wij zullen afgebeld hebben jullie zullen afgebeld hebben zij zullen afgebeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou afbellen jij zou afbellen hij zou afbellen wij zouden afbellen jullie zouden afbellen zij zouden afbellen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou afgebeld hebben jij zou afgebeld hebben hij zou afgebeld hebben wij zouden afgebeld hebben jullie zouden afgebeld hebben zij zouden afgebeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bel af
|