NL: adresserenDE: adresseren (adres aanbrengen): adressieren
EN: adresseren (adres aanbrengen): address, put on an address
ES: adresseren (adres aanbrengen): poner la dirección, dirigir
FR: adresseren (adres aanbrengen): adresser, pourvoir d'une adresse
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geadresseerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik adresseer jij adresseert hij adresseert wij adresseren jullie adresseren zij adresseren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geadresseerd jij hebt geadresseerd hij heeft geadresseerd wij hebben geadresseerd jullie hebben geadresseerd zij hebben geadresseerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik adresseerde jij adresseerde hij adresseerde wij adresseerden jullie adresseerden zij adresseerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geadresseerd jij had geadresseerd hij had geadresseerd wij hadden geadresseerd jullie hadden geadresseerd zij hadden geadresseerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal adresseren jij zult adresseren hij zal adresseren wij zullen adresseren jullie zullen adresseren zij zullen adresseren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geadresseerd hebben jij zult geadresseerd hebben hij zal geadresseerd hebben wij zullen geadresseerd hebben jullie zullen geadresseerd hebben zij zullen geadresseerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou adresseren jij zou adresseren hij zou adresseren wij zouden adresseren jullie zouden adresseren zij zouden adresseren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geadresseerd hebben jij zou geadresseerd hebben hij zou geadresseerd hebben wij zouden geadresseerd hebben jullie zouden geadresseerd hebben zij zouden geadresseerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
adresseer
|