NL: absolveren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geabsolveerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik absolveer jij absolveert hij absolveert wij absolveren jullie absolveren zij absolveren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geabsolveerd jij hebt geabsolveerd hij heeft geabsolveerd wij hebben geabsolveerd jullie hebben geabsolveerd zij hebben geabsolveerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik absolveerde jij absolveerde hij absolveerde wij absolveerden jullie absolveerden zij absolveerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geabsolveerd jij had geabsolveerd hij had geabsolveerd wij hadden geabsolveerd jullie hadden geabsolveerd zij hadden geabsolveerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal absolveren jij zult absolveren hij zal absolveren wij zullen absolveren jullie zullen absolveren zij zullen absolveren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geabsolveerd hebben jij zult geabsolveerd hebben hij zal geabsolveerd hebben wij zullen geabsolveerd hebben jullie zullen geabsolveerd hebben zij zullen geabsolveerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou absolveren jij zou absolveren hij zou absolveren wij zouden absolveren jullie zouden absolveren zij zouden absolveren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geabsolveerd hebben jij zou geabsolveerd hebben hij zou geabsolveerd hebben wij zouden geabsolveerd hebben jullie zouden geabsolveerd hebben zij zouden geabsolveerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
absolveer
|