FR: abriterSynoniemen: cacher, couvrir, dissimuler, garantir, garer, protéger, réfugier, tapir, terrer
NL: opvangen, van onderdak voorzien
EN: accomodate, give shelter
| Participe Passé |
|
abrité
|
| Indicatif Présent |
| ott, als in `ik ga` |
j`abrite tu abrites il; elle abrite nous abritons vous abritez ils; elles abritent
|
| Indicatif Passé Composé |
| Passé composé = voltooid tegenwoordige tijd. Als in `ik ben gegaan`. Le passé composé wordt gebruikt voor alle op zichzelf staande feiten, nieuwe, éénmalige gebeurtenissen, alle afgesloten handelingen. |
j`ai abrité tu as abrité il; elle a abrité nous avons abrité vous avez abrité ils; elles ont abrité
|
| Indicatif Imparfait |
| ovt, als in `ik ging`. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was. |
j`abritais tu abritais il; elle abritait nous abritions vous abritiez ils; elles abritaient
|
| Indicatif Plus-Que-Parfait |
| Plus-que-parfait= voltooid verleden tijd. Als in `ik was gegaan` |
j`avais abrité tu avais abrité il; elle avait abrité nous avions abrité vous aviez abrité ils; elles avaient abrité
|
| Indicatif Passé Simple |
| vtt, als in `ik ging`. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
j`abritai tu abritas il; elle abrita nous abritâmes vous abritâtes ils; elles abritèrent
|
| Indicatif Passé Antérieur |
| vvtt, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`eus abrité tu eus abrité il; elle eut abrité nous eûmes abrité vous eûtes abrité ils; elles eurent abrité
|
| Indicatif Futur Simple |
| ottt, als in `ik zal gaan` |
j`abriterai tu abriteras il; elle abritera nous abriterons vous abriterez ils; elles abriteront
|
| Indicatif Futur Antérieur |
| vttt, als in `Ik zal gegaan zijn` |
j`aurai abrité tu auras abrité il; elle aura abrité nous aurons abrité vous aurez abrité ils; elles auront abrité
|
| Subjonctif Présent |
| Aanvoegende wijs, heden. Men gebruikt het subjonctif in een onderschikkende bijzin die begint met `que`, na werkwoorden die een gevoel weergeven: être content = blij zijn, être triste= bedroefd zijn |
j`abrite tu abrites il; elle abrite nous abritions vous abritiez ils; elles abritent
|
| Subjonctif Passé |
| Aanvoegende wijs, verleden. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`aie abrité tu aies abrité il; elle ait abrité nous ayons abrité vous ayez abrité ils; elles aient abrité
|
| Subjonctif Imparfait |
| Aanvoegende wijs. Vooral gebruikt in de schrijftaal. L'imparfait wordt gebruikt voor het weergeven van: (I) een gewoonte (handeling), (II) een toestand/ beschrijving van karakter,uiterlijk, kleding, gemoedstoestand en landschap, (III) een handeling die aan de gang was |
j`abritasse tu abritasses il; elle abritât nous abritassions vous abritassiez ils; elles abritassent
|
| Subjonctif Plus-Que-Parfait |
| Aanvoegende wijs, voltooid deelwoord. Vooral gebruikt in de schrijftaal. |
j`eusse abrité tu eusses abrité il; elle eût abrité nous eussions abrité vous eussiez abrité ils; elles eussent abrité
|
| Conditionnel Présent |
| ovtt. Met de conditionnel présent kan je een voorwaarde uitdrukken, als in `ik zou gaan` |
j`abriterais tu abriterais il; elle abriterait nous abriterions vous abriteriez ils; elles abriteraient
|
| Conditionnel Passé |
| vvtt. De conditionnel passé gebruik je om een voorwaarde in het verleden te stellen, als in `ik zou gegaan zijn` |
j`aurais abrité tu aurais abrité il; elle aurait abrité nous aurions abrité vous auriez abrité ils; elles auraient abrité
|
| Impératif Présent |
| gebiedende wijs als in `Ga!` |
(tu) abrite, (nous) abritons (vous) abritez
|