NL: abdiquerenSynoniemen: abdiceren, aftreden
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geabdiqueerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik abdiqueer jij abdiqueert hij abdiqueert wij abdiqueren jullie abdiqueren zij abdiqueren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geabdiqueerd jij hebt geabdiqueerd hij heeft geabdiqueerd wij hebben geabdiqueerd jullie hebben geabdiqueerd zij hebben geabdiqueerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik abdiqueerde jij abdiqueerde hij abdiqueerde wij abdiqueerden jullie abdiqueerden zij abdiqueerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geabdiqueerd jij had geabdiqueerd hij had geabdiqueerd wij hadden geabdiqueerd jullie hadden geabdiqueerd zij hadden geabdiqueerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal abdiqueren jij zult abdiqueren hij zal abdiqueren wij zullen abdiqueren jullie zullen abdiqueren zij zullen abdiqueren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geabdiqueerd hebben jij zult geabdiqueerd hebben hij zal geabdiqueerd hebben wij zullen geabdiqueerd hebben jullie zullen geabdiqueerd hebben zij zullen geabdiqueerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou abdiqueren jij zou abdiqueren hij zou abdiqueren wij zouden abdiqueren jullie zouden abdiqueren zij zouden abdiqueren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geabdiqueerd hebben jij zou geabdiqueerd hebben hij zou geabdiqueerd hebben wij zouden geabdiqueerd hebben jullie zouden geabdiqueerd hebben zij zouden geabdiqueerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
abdiqueer
|