NL: aarzelenSynoniemen: dralen, dubben, talmen, twijfelen, weifelen, zeuren, zeiken, zaniken, teuten, hannesen, druilen, drentelen, treuzelen
DE: zögern, zweifeln, verzögern, aufschieben, schwanken, grübeln, wanken, zaudern, hinausschieben, unschlüssig sein, unschlüssig warten
EN: hesitate, doubt, linger, defer, waver, delay, deter, tarry, brood over
ES: aplazar, demorarse, demorar
FR: hésiter, tarder, douter, traînasser, traîner, tergiverser, lambiner, traînailler, être indécis
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geaarzeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik aarzel jij aarzelt hij aarzelt wij aarzelen jullie aarzelen zij aarzelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geaarzeld jij hebt geaarzeld hij heeft geaarzeld wij hebben geaarzeld jullie hebben geaarzeld zij hebben geaarzeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik aarzelde jij aarzelde hij aarzelde wij aarzelden jullie aarzelden zij aarzelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geaarzeld jij had geaarzeld hij had geaarzeld wij hadden geaarzeld jullie hadden geaarzeld zij hadden geaarzeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aarzelen jij zult aarzelen hij zal aarzelen wij zullen aarzelen jullie zullen aarzelen zij zullen aarzelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geaarzeld hebben jij zult geaarzeld hebben hij zal geaarzeld hebben wij zullen geaarzeld hebben jullie zullen geaarzeld hebben zij zullen geaarzeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aarzelen jij zou aarzelen hij zou aarzelen wij zouden aarzelen jullie zouden aarzelen zij zouden aarzelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geaarzeld hebben jij zou geaarzeld hebben hij zou geaarzeld hebben wij zouden geaarzeld hebben jullie zouden geaarzeld hebben zij zouden geaarzeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
aarzel
|