NL: aanwakkerenSynoniemen: aanblazen, oppoken, opruien, sterker worden, , voorbereiden, verhitten, toebereiden, prikkelen, opwinden, bereiden, aanmaken, zwepen, opwekken, aanvuren, aansporen, opporren, poken, opstoken, opjutten, ophitsen, opfokken, aanzetten, aanstoken, stoken
DE: aanwakkeren (aanblazen): brennen, anblasen, anschüren, schüren, anfeuern, anfachen
EN: aanwakkeren (aanblazen): blow the fire, fan a flame
ES: aanwakkeren (aanblazen): instigar, quemar, apresurar, incitar, enredar, atizar, avivar, azuzar, acuciar, amotinar
FR: aanwakkeren (aanblazen): aviver, agacer, semer la discorde, encourager, énerver, exciter, activer, attiser, ranimer, inciter à, ameuter, tisonner, exciter à
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
aangewakkerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik wakker aan jij wakkert aan hij wakkert aan wij wakkeren aan jullie wakkeren aan zij wakkeren aan
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb aangewakkerd jij hebt aangewakkerd hij heeft aangewakkerd wij hebben aangewakkerd jullie hebben aangewakkerd zij hebben aangewakkerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik wakkerde aan jij wakkerde aan hij wakkerde aan wij wakkerden aan jullie wakkerden aan zij wakkerden aan
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had aangewakkerd jij had aangewakkerd hij had aangewakkerd wij hadden aangewakkerd jullie hadden aangewakkerd zij hadden aangewakkerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aanwakkeren jij zult aanwakkeren hij zal aanwakkeren wij zullen aanwakkeren jullie zullen aanwakkeren zij zullen aanwakkeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal aangewakkerd hebben jij zult aangewakkerd hebben hij zal aangewakkerd hebben wij zullen aangewakkerd hebben jullie zullen aangewakkerd hebben zij zullen aangewakkerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aanwakkeren jij zou aanwakkeren hij zou aanwakkeren wij zouden aanwakkeren jullie zouden aanwakkeren zij zouden aanwakkeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou aangewakkerd hebben jij zou aangewakkerd hebben hij zou aangewakkerd hebben wij zouden aangewakkerd hebben jullie zouden aangewakkerd hebben zij zouden aangewakkerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
wakker aan
|