NL: aanvliegenSynoniemen: aanvallen, naderen
EN: aanvliegen (naderen): approach, fly at
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
aangevlogen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik vlieg aan jij vliegt aan hij vliegt aan wij vliegen aan jullie vliegen aan zij vliegen aan
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb aangevlogen jij hebt aangevlogen hij heeft aangevlogen wij hebben aangevlogen jullie hebben aangevlogen zij hebben aangevlogen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik vloog aan jij vloog aan hij vloog aan wij vlogen aan jullie vlogen aan zij vlogen aan
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had aangevlogen jij had aangevlogen hij had aangevlogen wij hadden aangevlogen jullie hadden aangevlogen zij hadden aangevlogen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aanvliegen jij zult aanvliegen hij zal aanvliegen wij zullen aanvliegen jullie zullen aanvliegen zij zullen aanvliegen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal aangevlogen hebben jij zult aangevlogen hebben hij zal aangevlogen hebben wij zullen aangevlogen hebben jullie zullen aangevlogen hebben zij zullen aangevlogen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aanvliegen jij zou aanvliegen hij zou aanvliegen wij zouden aanvliegen jullie zouden aanvliegen zij zouden aanvliegen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou aangevlogen hebben jij zou aangevlogen hebben hij zou aangevlogen hebben wij zouden aangevlogen hebben jullie zouden aangevlogen hebben zij zouden aangevlogen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
vlieg aan
|