NL: aanstrijkenSynoniemen: aansteken
DE: aanstrijken (doen ontvlammen): anstecken, entzünden, anzünden
EN: aanstrijken (doen ontvlammen): light up, light, shine up
ES: aanstrijken (doen ontvlammen): enlucir, levantar, amanecer, alzar, robar con engaño
FR: aanstrijken (doen ontvlammen): allumer, flamber
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
aangestreken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik strijk aan jij strijkt aan hij strijkt aan wij strijken aan jullie strijken aan zij strijken aan
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb aangestreken ; ben aangestreken jij hebt aangestreken ; bent aangestreken hij heeft aangestreken ; is aangestreken wij hebben aangestreken ; zijn aangestreken jullie hebben aangestreken ; zijn aangestreken zij hebben aangestreken ; zijn aangestreken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik streek aan jij streek aan hij streek aan wij streken aan jullie streken aan zij streken aan
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had aangestreken ; was aangestreken jij had aangestreken ; was aangestreken hij had aangestreken ; was aangestreken wij hadden aangestreken ; waren aangestreken jullie hadden aangestreken ; waren aangestreken zij hadden aangestreken ; waren aangestreken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aanstrijken jij zult aanstrijken hij zal aanstrijken wij zullen aanstrijken jullie zullen aanstrijken zij zullen aanstrijken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal aangestreken hebben jij zult aangestreken hebben hij zal aangestreken hebben wij zullen aangestreken hebben jullie zullen aangestreken hebben zij zullen aangestreken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aanstrijken jij zou aanstrijken hij zou aanstrijken wij zouden aanstrijken jullie zouden aanstrijken zij zouden aanstrijken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou aangestreken hebben jij zou aangestreken hebben hij zou aangestreken hebben wij zouden aangestreken hebben jullie zouden aangestreken hebben zij zouden aangestreken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
strijk aan
|