NL: aanslepenEN: drag, haul
FR: déballer, traîner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
aangesleept
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sleep aan jij sleept aan hij sleept aan wij slepen aan jullie slepen aan zij slepen aan
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb aangesleept jij hebt aangesleept hij heeft aangesleept wij hebben aangesleept jullie hebben aangesleept zij hebben aangesleept
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sleepte aan jij sleepte aan hij sleepte aan wij sleepten aan jullie sleepten aan zij sleepten aan
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had aangesleept jij had aangesleept hij had aangesleept wij hadden aangesleept jullie hadden aangesleept zij hadden aangesleept
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aanslepen jij zult aanslepen hij zal aanslepen wij zullen aanslepen jullie zullen aanslepen zij zullen aanslepen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal aangesleept hebben jij zult aangesleept hebben hij zal aangesleept hebben wij zullen aangesleept hebben jullie zullen aangesleept hebben zij zullen aangesleept hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aanslepen jij zou aanslepen hij zou aanslepen wij zouden aanslepen jullie zouden aanslepen zij zouden aanslepen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou aangesleept hebben jij zou aangesleept hebben hij zou aangesleept hebben wij zouden aangesleept hebben jullie zouden aangesleept hebben zij zouden aangesleept hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sleep aan
|