NL: aanrekenenSynoniemen: berispen, beschuldigen, kwalijk nemen, laken, verwijten, aanwrijven, voorhouden, gispen, blameren, nadragen
DE: schätzen, vorwerfen, entgegenhalten, nachtragen, entnehmen, rügen, ermahnen, verweisen, bestrafen, schelten
EN: accuse, blame, reprimand, reproach, discredit, rebuke, hold against
ES: reprender, condenar, borrar, arrebatar, amonestar, sacar, eliminar, culpar, reconvenir, librarse de, amanecer, notar, enjugar, clarear, iluminarse
FR: reprocher, blâmer, déshonorer, condamner, réprimander, vitupérer, jeter quelque chose aux pieds de, avoir de la rancune, avoir de la rancoeur, critiquer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
aangerekend
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik reken aan jij rekent aan hij rekent aan wij rekenen aan jullie rekenen aan zij rekenen aan
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb aangerekend jij hebt aangerekend hij heeft aangerekend wij hebben aangerekend jullie hebben aangerekend zij hebben aangerekend
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik rekende aan jij rekende aan hij rekende aan wij rekenden aan jullie rekenden aan zij rekenden aan
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had aangerekend jij had aangerekend hij had aangerekend wij hadden aangerekend jullie hadden aangerekend zij hadden aangerekend
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aanrekenen jij zult aanrekenen hij zal aanrekenen wij zullen aanrekenen jullie zullen aanrekenen zij zullen aanrekenen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal aangerekend hebben jij zult aangerekend hebben hij zal aangerekend hebben wij zullen aangerekend hebben jullie zullen aangerekend hebben zij zullen aangerekend hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aanrekenen jij zou aanrekenen hij zou aanrekenen wij zouden aanrekenen jullie zouden aanrekenen zij zouden aanrekenen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou aangerekend hebben jij zou aangerekend hebben hij zou aangerekend hebben wij zouden aangerekend hebben jullie zouden aangerekend hebben zij zouden aangerekend hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
reken aan
|