NL: aanmerenSynoniemen: vastmeren, vastmaken, vastleggen, vastbinden, meren, afmeren, aanleggen
DE: aanmeren (vastmeren): anlegen, festmachen, heften, befestigen, anbinden, verankern, anketten, festbinden, einhaken
EN: aanmeren (vastmeren): anchor, moor, tie up, fasten
ES: aanmeren (vastmeren): amarrar
FR: aanmeren (vastmeren): amarrer, aborder, accoster
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
aangemeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik meer aan jij meert aan hij meert aan wij meren aan jullie meren aan zij meren aan
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb aangemeerd jij hebt aangemeerd hij heeft aangemeerd wij hebben aangemeerd jullie hebben aangemeerd zij hebben aangemeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik meerde aan jij meerde aan hij meerde aan wij meerden aan jullie meerden aan zij meerden aan
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had aangemeerd jij had aangemeerd hij had aangemeerd wij hadden aangemeerd jullie hadden aangemeerd zij hadden aangemeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aanmeren jij zult aanmeren hij zal aanmeren wij zullen aanmeren jullie zullen aanmeren zij zullen aanmeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal aangemeerd hebben jij zult aangemeerd hebben hij zal aangemeerd hebben wij zullen aangemeerd hebben jullie zullen aangemeerd hebben zij zullen aangemeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aanmeren jij zou aanmeren hij zou aanmeren wij zouden aanmeren jullie zouden aanmeren zij zouden aanmeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou aangemeerd hebben jij zou aangemeerd hebben hij zou aangemeerd hebben wij zouden aangemeerd hebben jullie zouden aangemeerd hebben zij zouden aangemeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
meer aan
|