NL: aanlerenSynoniemen: leren, oppikken, opsteken, verwerven
DE: lernen, studieren, erlernen, aneignen, anlernen, einpauken
EN: learn, acquire, study, pick up, get the hang of
ES: aprender, estudiar, comenzar, alzar, seguir estudios, adquirir, encender, estallar, cursar
FR: apprendre, s'initier à, faire l'apprentissage de
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
aangeleerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik leer aan jij leert aan hij leert aan wij leren aan jullie leren aan zij leren aan
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb aangeleerd jij hebt aangeleerd hij heeft aangeleerd wij hebben aangeleerd jullie hebben aangeleerd zij hebben aangeleerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik leerde aan jij leerde aan hij leerde aan wij leerden aan jullie leerden aan zij leerden aan
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had aangeleerd jij had aangeleerd hij had aangeleerd wij hadden aangeleerd jullie hadden aangeleerd zij hadden aangeleerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aanleren jij zult aanleren hij zal aanleren wij zullen aanleren jullie zullen aanleren zij zullen aanleren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal aangeleerd hebben jij zult aangeleerd hebben hij zal aangeleerd hebben wij zullen aangeleerd hebben jullie zullen aangeleerd hebben zij zullen aangeleerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aanleren jij zou aanleren hij zou aanleren wij zouden aanleren jullie zouden aanleren zij zouden aanleren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou aangeleerd hebben jij zou aangeleerd hebben hij zou aangeleerd hebben wij zouden aangeleerd hebben jullie zouden aangeleerd hebben zij zouden aangeleerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
leer aan
|